www.lesbengeschichte.de

Een tegenstrijdige stammoeder.
De journaliste Theo Anna Sprüngli (1880-1953) – beter bekend als redevoerster Anna Rüling.

Theo Anna Sprüngli 1910 © Frauen-Kultur-Archiv Düsseldorf

Ongeveer 100 jaar geleden, op 9 oktober 1904, hield Anna Rüling de eerste tot nu toe bekende lesbisch-politieke redevoering over “homoseksualiteit en vrouwenbeweging” tijdens de jaarvergadering van het “Wissenschaftlich humanitären Komitees” in het Berlijnse Prins Albrecht hotel.

Het idee van een sociale beweging - o.a. - voor het recht op zelfbeschikking van homoseksuelen ontstond in de 19de eeuw en wordt speciaal met Duitsland in verband gebracht. Voor de homobeweging geldt Karl Heinrich Ulrichs (1825-1895) als ideeën aanbrenger. De jurist kwam open voor zijn homoseksualiteit uit: hij noemde zichzelf een Urning, zijn homoseksuele zusters Urninden, en heeft zonder succes geprobeerd een Urningsverbond als eerste homoseksuele-organisatie in het leven te roepen. In 12 brochures “Onderzoek naar het raadsel van de man-man liefde” (1864-1879) ontwikkelde hij de eerste afgeronde theorie van de aangeboren (manlijke) homoseksualiteit, die hij afgeleid van de Venus Urania als Uranismus betitelde. Aanvankelijk publiceerde hij de teksten om zijn familie te beschermen onder het pseudoniem Numa Numantis. In de V.S. werd Karl Heinrich Ulrichs in 2000 op initiatief van de historicus Michael Lombardi-Nash (Florida) feestelijk herdacht; eind augustus 2006 zal n.a.v. de 181ste geboortedag van Ulrichs bij zijn graf in het Italiaanse L’Aquila een herdenkingsbijeenkomst plaats vinden. Als de voorganger van Ulrich wordt de Zwitserse hoedenmaker Heinrich Hössli (1784-1864) beschouwd, die een 700 bladzijden omvattend, tweebandig werk “Eros. De mannenliefde van de Grieken, haar relatie tot de geschiedenis, opvoeding, literatuur en wetgeving” (1836/1838) geschreven had – het richtte zich ook tegen criminalisering.

Met de naam Anna Rülling wordt één van de lesbische voorvechters verbonden. In de herfst van 1904, op 9 oktober, hield zij voor het “Wissenschaftlich humanitären Komitee” (Whk) en een geïnteresseerd publiek van ongeveer 300 personen – zover tot nu toe bekend – de eerste lesbisch-politieke redevoering. Een paar weken later herhaalde zij haar redevoering op 27 oktober eveneens in Berlijn tijdens een publieke vergadering van de vrijzinnige, burgerlijk-anarchistische bond voor mensenrechten ( onder leiding van Johannes Holzmann (1882-1914). Aan deze bijeenkomst namen, volgens de opgave uit het protocol van de politie, in totaal 130 personen deel, waaronder ongeveer 60 vrouwen.

Vanuit die tijdsperiode beschouwd is Anna Rülings redevoering meer dan ongebruikelijk en van grote betekenis. Getuigenissen van lesbische vrouwen rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw zijn uiterst zeldzaam. De paar, die overleverd zijn, komen uit een sekswetenschappelijke context, waarin de vrouwenliefde overwegend gepathologiseerd werd.

In haar voordracht bekritiseerde Anna Rüling onwetendheid en taboeïsering van homoseksualiteit in de oude vrouwenbeweging. Zelfs vrouwen, die tientallen jaren samenleefden en zeer intiem waren, gaven zich niet, het eind 19de eeuw seksueelwetenschappelijk geconstrueerde etiket, homoseksueel.

Anna Rüling beweerde - voor die tijd politiek buitengewoon moedig – de vrouwenbeweging is een “cultuur-geschiedkundige noodzakelijkheid” en homoseksualiteit een “natuur-geschiedkundige noodzakelijkheid”, een “aangeboren seksuele neiging”. Daarmee argumenteerde zij voor de emancipatie van vrouwen, tegen seksisme en misogamie van tijdgenoten en bovendien tegen sekswetenschappelijke pathologisering van homoseksualiteit.

Wat vroeger tot een schandaal leidde, werd nu met de mantel van verdraagzaamheid en liberalisme toegedekt, doch de cliché’s, zoals de hoop, het mag te hopen zijn dat “het” de eigen dochter niet zou treffen en “die” zouden alstublieft beter geen kinderen opvoeden. Ook biologische verklaringstheorieën werden daarbij weer vrolijk te voorschijn gehaald.

De sekswetenschap had zich midden 19de eeuw als een zelfstandige discipline vanuit verschillende natuurwetenschappen ontwikkeld, vooral geneeskunde en psychiatrie. De sekswetenschappelijke kennis werd door de overheid gebruikt, vooral in de juridische discussie over homoseksualiteit. Lesbische vrouwen werden niet door de wetgever gecriminaliseerd. Weliswaar werd sinds de eeuwwisseling altijd weer – vooral met het argument dat heteroseksuele vrouwen verleid zouden kunnen worden – de uitbreiding van paragraaf 175, die manlijke homoseksualiteit criminaliseerde, naar vrouwen bediscussieerd. De kennis over lesbische vrouwen zou, volgens Anna Rüling, bij het grote publieke veel minder aanwezig zijn dan over homo mannen, wat zij verklaarde door de alleen op mannen slaande juristische criminalisering. Maar: De “psychische druk” door de maatschappelijke discrimisering was bij vrouwen immens hoog – daar lesbiennes alleen leefde en eenverdiener waren. De homo- en vrouwenbeweging zouden zich, volgens haar zeer omstreden eis, “wederzijds tot recht en aanvaarding helpen” en de “onrechtvaardigheid” uit de wereld helpen. Zij concretiseerde, de vrouwenbeweging moet de “homo kwestie niet tot iets belangrijks maken”, doch dit de “juiste plaats” in het geheel geven. Het zou de “plicht” van de vrouwenbeweging zijn de homoseksuelen in hun strijd te helpen, daar ook de feministen “voor het recht op vrije persoonlijkheid en zelfbestemming” vochten. Bovendien verwees zij uiterst provocerend naar de lesbische feministen in de beweging.

De samenhang tussen vrouwen en de lesbischgeoriënteerde emancipatie verwoorde Anna Rüling zeer duidelijk en plausibel en waarschijnlijk juist daarom werd zij daarvoor scherp aangevallen. In het “Centralblatt des Bundes deutscher Frauenvereine” verscheen 1904/1905 in de rubriek “mededelingen” een niet ondertekende tekst met de titel “Schaamteloze brutale agitatie”, dat vermoedelijk uit de pen van Marie Stritt (1855-1928) was gevloeid, die het “Centrallblatt” uitgaf. Uit het artikel sprak duidelijke afgrenzing en afschuw t.o.v. lesben en homo’s. Ook de woordvoerster van de gematigde vleugel van de burgerlijke vrouwenbeweging, Helene Lange (1848-1930), had zich over Rülings redevoering geërgerd – voornamelijk uit angst ook voor lesbische gehouden te worden. Uiteindelijk had zij een decennia lange levens- en arbeidsverhouding met Gertrud Bäumer (1873-1954), die in het begin politiek liberaal eveneens in het nationaal-volksgerichte afgleed.

Anna Rülings redevoering werd onder de titel “Welke interesse heeft de vrouwenbeweging in de oplossing van het homoseksuele probleem?” in een uitgave van het bekende jaarboek voor seksuele varianten gepubliceerd. De uitgever namens het Whk was de Berlijnse arts Magnus Hirschfeld (1868-1935). De context van de Rülings-voordracht uit het jaarboek werd overigens door Simone de Beauvoir (1908-1986) in haar klassiker “Dat andere geslacht“ (1949) opgenomen; zij haalde hieruit de schatting, 20 procent van de prostituees zijn homoseksueel.

In het Whk zelf schijnt de Rüling-voordracht aftrap, aanleiding of ook eenvoudig slechts nieuwe voeding voor een richtingsstrijd te zijn geweest. Daarbij ging het in het begin zo te zien minder om de inhoud van de redevoering, die vermoedelijk politiek de meeste mannen eenvoudig niet interesseerde, maar vooral daarom, dat juffrouw Rüling zich zelf als homoseksueel aangeduid had en daarop duidelijk ook nog trots was. De politieke opdracht om voorlichting over homoseksualiteit te geven in tegenstelling om deze te “verheerlijken” werd in de Whk heftig bediscuteerd. Over de eigen ontsteltenis wilde nauwelijks een van de mannen openlijk informatie geven. Dit hield men in zin van objectiviteit van de wetenschap voor onverdraaglijk.

Het Whk was een wetenschappelijk-politieke vereniging, die vooral over seksualiteit voorlichting gaf en lobbywerk deed voor de afschaffing van de op homomannen betrekking hebbende strafrechtparagraaf 175. De organisatie was in 1897 door Magnus Hirschfeld, de Leipziger uitgever Max Spohr (1850-1905) en de Hannoverse spoorwegenman Eduard Oberg (1858-1917) alsmede de Pruisische 1ste luitenant b.d. D. Franz-Joseph von Bülow (1861-1915) opgericht. Zij gold als een soort opstapje voor de door mannen gedomineerde homobeweging, die, hoewel zij in geen geval vrij was voor de in die tijd gebruikelijke seksisme, ook in de seksueelvooruitstrevende vleugel van de vrouwenbeweging bondgenoten zocht. 13 jaar duurde het, tot 1910, toen eindelijk de eerste vrouw in het ambt van een z.g. voorman van het Whk benoemd werd: de schrijfster Toni Schwabe (1877-1951), en later o.a. ook Helene Stöcker (1869-1943) alsmede de homopolitiek geëngageerde en sekswetenschappelijk publicerende Johanna Elberskirchen (1864-1943), die zich net zoals Anna Rüling openlijk lesbienne noemde.

De persoonlijke en politieke moed van de vierentwintigjarige Anna Rüling, om voor een groot, van gemengde sekse en verschillend seksueel georiënteerd publiek, over seksualiteit te spreken, was voor die tijd en voor een vrouw speciaal een verboden gebied, zich bovendien als lesbienne te presenteren, en daarop ook nog trots te zijn, kan niet hoog genoeg beoordeeld worden. Een meelijwekkend verhaal zou in 1904 misschien gewaardeerd zijn, zeker niet de zelfbewuste vordering in Rülings retorisch betoog.

Over bijna geen andere, zich openlijk als lesbienne uitgevende vrouw rond 1900 is politiek en wetenschappelijk meer geschreven dan over Anna Rühling. Eigenaardig, dat tot voor kort zo goed als niets over haar bekend is geweest. Achter de als anagram lijkende pseudoniem Anna Rühling, ook Th. Rüling, verbergt zich de journaliste Theo Anna Sprüngli.

Theo Anna Sprüngli werd op 15 augustus 1880 in Hamburg geboren. Haar moeder was Caroline Sprüngli, geboren Dangers (1855-?) en de vader, Adolf Sprüngli (1844-?), een Zwitserse overzeekoopman, die in Hamburg leefde en de Zwitserse consulaire belangen vertegenwoordigde. Met minstens één zusje groeide ze, zoals Sprüngli zelf schreef, in een “strenge koopmansatmosfeer in het huis van haar vader” op. Zeven in Duitsland ver uit elkaar liggende woon- en werkplekken van Theo Anna Sprüngli zijn tot nu toe bekend: Hamburg, Stuttgart, Berlijn, Dusseldorf, Ulm, de daar in de buurt liggende plaatsje Blaubeuren en ten slotte Delmenhorst.

In haar geboortestad Hamburg ging zij naar een hogere meisjesschool en nam – zoals dat voor een burgermeisje betaamde – piano- en muziektheorieles. Als zeventienjarige begon zij ook voor het “Hamburger Fremdenblatt” te schrijven. Dat is, zoals haar latere levensweg toont, het begin van haar journalisten loopbaan. In Stuttgart haalde zij haar gymnasiumdiploma en verhuisde na en kort verblijf in Hamburg naar Berlijn. Daar werkte zij van 1905 tot 1906 voor de Scherl uitgeverij, één van de grootste krantenconcerns in de Spreemetropole, waartoe o.a. de krant “Der Tag” en de “Berliner Tages-Anzeiger” hoorde – enige jaren later viel het concern in handen van de beruchte Duitsnationalist Alfred Hugenberg (1865-1952).

Van Berlijn trok Theo Anna Sprüngli naar Dusseldorf, waar zij 30 jaar leefde en werkte: van 1914 tot midden twintiger jaren schreef zij voor de vrouwenrechten uiterst gematigde, nationaal-patriottische “Neue Deutsche Frauen” krant, die uit de “Rheinisch-westfälischen Frauenzeitung” voorgekomen was, later onder mannenbestuur onder de titel “Der Burger” uitkwam en als officieel cluborgaan van de Duitse vrouwenclubs functioneerde.

De journaliste begeleidde voornamelijk de muzikale en cultuurpolitieke gebeurtenissen alsmede de wereld van de film. Maar ook reisverslagen, artikelen over de “Rheinischen Frauenklub” en de “Freiburger Hausfrauenbund” evenals artikelen over levensstijl en (muziek-) boekrecensenties vielen onder haar artikelenrepertoire. Bovendien schreef zij twee vakboeken over muziek: in 1914 kwam in de Keulse Tonger-uitgeverij haar “kort overzicht van de muziekgeschiedenis” en in 1921 “het Duitse volkslied” uit.

In 1922 gelukte Theo Anna Sprüngli eindelijk de journalistische sprong naar de “Düsseldorfer Nachrichten”. Later werkte zij ook voor de “Düsseldorfer Lokal-Zeitung”. Daarnaast gaf zij op een vragenlijst van de Rijkskultuurkamer in november 1933 aan dat zij freelance werkte voor verschillende kranten, zoals de “Bremer Nachrichten”, de “Dortmunder Zeitung”, de “Hamburger Anzeiger” en de “Leipziger Neuesten Nachrichten”.

Aan het thema van de homoseksualiteit waagde zij zich nog één keer literair: in 1906 verscheen onder de pseudoniem Th. Rüling in de Max Spor uitgeverij, de voor seksvernieuwende en homopolitieke uitgaven toonaangevend was, haar boek met novellen “Wie onder jullie zonder zonden is …. Boeken over de schaduwzijde”. Twee van de verhalen gaan over homo’s, drie over lesbiennes, twee daarvan – voor die tijd ongebruikelijk – met een lesbis happy end. Eén van deze positief gekleurde verhalen heeft het autobiografische motief muziek: in de novelle “Mondscheinsonate” worden twee burgerlijke vrouwen, Hanna en Charlotte, op elkaar verliefd. Terwijl de ene haar vurige liefde vertwijfeld op de piano tot uitdrukking brengt, bekent ook de toevallig luisterende vriendin haar liefde: “Hanna, liefste, nu weet ik alles, jouw pianospel heeft mij verteld, wat jouw lippen verzwijgen; ik durfde niet te hopen, dat jij het zelfde voelt als ik, daarom deed ik afstandelijk, o Hanna, wat had ik het moeilijk. Dank, dank het toeval, dat mij op het juiste moment hier bracht”. Deze bekentenis houdt de hoofdrolspeelster Hanna af van de voorgenomen zelfmoord.

Een bestudering van de journalistische artikelen van Anna Sprüngli toont echter, dat de baanbreekster niet onkritisch tot historisch identificatiepersoon voor lesbiennes verheven kan worden: de journaliste was vurig Duits patriot, nationalist en pleitster voor de oorlog, met soms onverdraaglijke hartstocht, bijvoorbeeld wanneer zij met ontmaskerende woordkeus in cultuurimperialistische bewoording en religieus konnotierd formuleerde,dat de “Duitse cultuur …. krachtig staat in de storm van oorlogstijden en haar zegeningen tot in het veroverde vijandige land brengt. De Duitse kunst beschermd door het Duitse zwaard”. Cultuur ondersteunt politiek en omgekeerd naar het motto: door deze Duitse aard en wijze zal de wereld genezen.

Theo Anna Sprüngli was niet alleen cultuurpolitiek actief achter haar schrijftafel: zij voerde bijvoorbeeld de regie van een opera in een fronttheater en verbond zich politiek met gelijkgestemde organisaties: in 1915 was zij de eerste schrijfster in de Dusseldorfer afdeling van de “Flottenbundes deutscher Frauen”. Deze vereniging werd in 1905 ter ondersteuning van de mobilisering van de politieke inspanning van de sinds 1898 bestaande “Deutschen Flottenvereins” opgericht. De “Flottenbund” behoorde zoals bijv. de vrouwengroep van de “Ostmarkenvereins” en de vrouwen hulporganisatie van de “Deutschen Kolonialgesellschaft” tot de centrale nationalistische en kolonialistische samenwerkverbanden van vrouwen in het Duitse Keizerrijk, waartoe ook de platteland en stedelijke huisvrouwenverenigingen telden. In de overkoepelende Duitse huisvrouwenverenigingen was de journaliste Sprüngli in de perscommissie actief. Het belangrijkste politieke doel van de vereniging was, de “economische en morele vooruitgang van ons Duits vaderland” te verbeteren.

De leef- en werkomstandigheden van Theo Anna Sprüngli tijdens de Nationalsocialistische periode zijn tot op heden slechts uit kleine, uit elkaar liggende fragmenten te reconstrueren. Lid van de NSDAP zou zij niet geweest zijn; als publiciste was zij lid van de “Reichsverband Deutscher Schrifsteller”. In haar dossier van de “Reichsschrifttumskammer” vindt men geen verwijzing naar haar lesbischpolitieke redevoeringen en publikaties – haar zwijgen hierover schijnt nooit uitgekomen te zijn.

Eind der dertigerjaren trok zij uit Dusseldorf weg. Zij schijnt sindsdien niet meer als journalist gewerkt te hebben. In die tijd was zij voor de redactie van het Ulmer Stadstheater verantwoordelijk als wel voor de schouwburgleiding en toneeluitvoeringen. 10 jaar later verhuisde ze naar Delmenhorst, een tussen Bremen en Oldenburg liggend plaatsje. Daar werkte zij tot de sluiting van het plaatselijke theatertje als toneelspeelster, propagandamaakster en regisseuse. 1949 had zij haar terugkeer als journaliste bij de “Delmenhorster Zeitung” en de “Nordwestzeitung”. Zij verbond zich tot haar – zoals haar collega’s schreven - onverwachte overlijden op 8 mei 1953, 73 jaar oud, met de pers en behoorde tot de eerste en oudste journalisten van de Bondsrepubliek.

De persoon en carrière van Theo Anna Sprüngli tonen grote tegenstrijdigheden en tegenstellingen en daarmee politieke gespletenheid – met oog op haar beeld als een historische voorvechtster voor (lesbische) vrouwen: haar deelname aan rechtse organisaties, die geen afstand of kritische positionering toont, haar vurige nationalisme en patriottisme, die tenminste een verheerlijking van de eerste wereldoorlog toont, maken een totale vereenzelving voor politiek kritische (lesbische) vrouwen moeilijk zoniet onmogelijk. In de politieke en wetenschappelijke feministische discussie van de laatste jaren, houdt men zich kritisch met de tegenstrijdige stammoeder bezig. De niet alleen politiek tegenstrijdige, maar ook scherp te bekritiseren aspecten van de politiek van Theo Anna Sprüngli zijn deel van het “negatieve lesbische eigendom”, zoals dat o.a. door Jean Améry genoemd wordt. Sprüngli’s voor die tijd absoluut radicale mening t.a.v. homoseksualiteit en haar geëmancipeerde denkbeelden van het wezen van vrouw en man gelden echter als “positief lesbisch eigendom”. Een gedeelte verzwijgen, zou in strijd zijn met kritische geschiedschrijving. De historie vervalsen waardoor een andere kijk ontstaat hoort niet – ook niet wanneer het de stammoeders en vaders van de emancipatiebeweging betreft.


© Christiane Leidinger (Berlin 2005)
Ron (Vertaling, Breda 2006)

Suggested citation:
Leidinger, Christiane: Een tegenstrijdige stammoeder. De journaliste Theo Anna Sprüngli (1880-1953) – beter bekend als redevoerster Anna Rüling. [online]. Berlin 2005. Available from: Online-Projekt Lesbengeschichte. Boxhammer, Ingeborg/Leidinger, Christiane. URL <http://www.lesbengeschichte.de/bio_rueling_nl.html> [cited DATE].

Algemene literatuur
Speciale literatuur